DE DEUR
Al veertig
jaar ging Marie De Vuyst elke ochtend trouw naar de vroegmis in de Gentse
Sint-Baafskathedraal, en dat deed ze ook op de ochtend van 11 april 1934, om
5.30 uur:
"Toen ik aan de kerk kwam vond ik de zijdeur, langs den kant der
Limburgstraat, openstaan, 't is te zeggen op een spleet van ongeveer 3 à 5
centimeter staan. Ik kon de deur
openduwen en binnengaan. Juist toen ik binnentrad, zag ik den 'suisse', die
afkwam om de deur, langswaar ik was binnengekomen, te openen."

DE KAPEL
Die 'suisse' was onderkoster Oscar Van
Bouchaute. Kort nadien ging hij de Vijdkapel binnen, waar al vijfhonderd
jaar
De Aanbidding van het Lam Gods te zien was, het wereldberoemde retabel
van de gebroeders Van Eyck. Van Bouchaute haalde het doek dat het werk
beschermde op en zag dat twee panelen ontbraken.

DE BRIEF
Op 1 mei 1934, drie weken na
de diefstal, ontving Honoré Coppieters, bisschop van Gent, een getikte, in
het Frans gestelde brief. De briefschrijver, die zichzelf D.U.A. noemde,
beweerde over de twee gestolen panelen te beschikken en stelde voor eerst
Johannes de Doper terug te geven. "Na ontvangst van dit schilderij, zult
u aan een persoon waarvan het adres u zal worden aangeduid, de som van één
miljoen ter beschikking stellen." Een weigering zou tot de vernietiging
van de panelen leiden. De bisschop moest antwoorden via een zoekertje in de krant La
Dernière Heure.

HET PAK
In de daaropvolgende vijf maanden arriveerden nog
twaalf brieven. Bij de derde brief zat
een depotbiljet van het
bagagecentrum van het Brusselse Noordstation. De gerechtelijke politie kreeg
er op 28 mei 1934 een groot pak voor in de plaats: Johannes de Doper was
terecht. De depotbediende kon een beschrijving geven van de man die het pak
had afgegeven: "ongeveer 50 jaar; kleine gestalte; middelmatige corpulentie;
zwart haar; snor en spits toelopende sik die grijzend zijn; had uiterlijk
van een welgestelde heer; sprak Frans."
HET GELD
D.U.A. liet weten dat
het losgeld aan een pastoor in Antwerpen moest worden afgegeven. Het parket
bezorgde de pastoor een pakje met geld. Op 14 juni 1934 werd het opgehaald
door een taxichauffeur, zijn klant was in de taxi blijven zitten. Volgens de
meid van de pastoor droeg de klant een bril of neusknijper. De chauffeur,
die pas een half jaar later werd verhoord, herinnerde zich hem als
een man van "ongeveer 45 jaar", "heel proper in 't zwart gekleed : hij zag
er uit als een lijkbidder. Hij was niet groot – eerder mager van gezicht."
DE VALSTRIK
In het pakje had
procureur Frans de Heem slechts 25.000 frank gestopt. Het gerecht
had van meet af aan
de bedoeling "het
miljoen nooit te betalen en den dader in een valstrik te lokken."
Na de geldoverhandiging raakten de onderhandelingen strop. De laatste
afpersingsbrief werd op 1 oktober 1934 verzonden. Nog steeds is De
Rechtvaardige Rechters vermist.

DE WISSELAGENT
Op 25 november 1934 overleed Arsène Goedertier,
een 58-jarige wisselagent uit Wetteren, een dorp op 15 kilometer van Gent.
Volgens advocaat Georges De Vos, die hem in zijn laatste ogenblikken
bijstond, fluisterde de stervende: "Ik alleen weet waar het Lam Gods is”.
Hij zou de bergplaats van het paneel niet meer hebben kunnen onthullen. Na
Goedertiers dood zouden De Vos en een bevriend rechter de doorslagen van de
afpersingsbrieven in het huis van de wisselagent hebben gevonden. De
huiszoeking gebeurde
officieus. Van de cruciale vondst werd geen verslag gemaakt. Goedertier
geldt nog steeds als de hoofdverdachte, maar sluitende bewijzen
tegen hem zijn er niet.
