|
|
|
| Kilometer 0, een plaatsje in La Mancha | |
|
In een plaatsje in La Mancha zit ik te schrijven. Ik zit aan een wiebelend tafeltje tussen vijfhonderd jaar oude zuilen en schrijf woorden die ik straks achterna zal reizen. De auto zal over de kurkdroge meseta kruipen zoals mijn hand nu over het papier kruipt. Een spoor van inkt. In La Mancha kan de reis blijbaar niet zonder het verhaal. Ik hoef maar een voet te verzetten, het gaspedaal even in te drukken, en als een schaduw duiken de woorden op. Over enkele dagen, wanneer ik genoeg stof in mijn keel heb weggespoeld, zal ik het boek dat op mijn dashboard ligt weer dichtklappen en zal de reis in dezelfde beweging voorbij zijn. Ik kijk op en merk dat mijn gids er verwaaid uitziet. Met zijn roodomrande ogen kijkt hij mij aan vanonder zijn idiote hoofddeksel maar ik weet niet zeker of hij mij ziet. Alonso Quijano heet hij, 400 jaar oud maar nog goed geconserveerd. Opvallend strijdvaardig zelfs. Vol vuur maant hij mij aan molens te bestormen, in grotten af te dalen en naar bloedmooie Dulcinea’s te zoeken. Zo was het ook hem vergaan, lang geleden. Een overdosis boeken, was de diagnose. Quijano had te veel ridderromans gelezen, de junktv van zijn tijd. Niets was zo populair toen als die heroïsche soaps van mannen die zich Arthur waanden. Op den duur wisten de auteurs niet meer waar ze het moesten zoeken, de ene historie werd nog ridiculer dan de andere. Slecht voor de gezondheid, waarschuwden de moralisten. Maar Quijano, een verlopen hidalgo, was verslaafd. Dagen en nachten had hij in die verhalen rondgedwaald, tot hij er het verstand bij verloor en zelf als een ridder door de wereld wilde gaan dwalen. Don Quichot noemde hij zichzelf, Don Quichot van La Mancha; zijn paard, of beter: zijn oude knol, kreeg de elegante naam Rocinante; onderweg pikte hij Sancho Panza op, die zijn trouwe gezel zou worden op zijn zoektocht naar grootse avonturen. |
|
![]() |
|
|
Allemaal echt gebeurd, beweerde Miguel Cervantes de Saavedra, de mislukte avonturier die het verhaal precies vier eeuwen geleden publiceerde. Quijano alias Quichot had echt bestaan. Andere auteurs hadden al over hem geschreven, Cervantes had zijn versie van de Arabische schrijver Cide Hamete. Niets van aan natuurlijk, Quichot en Hamete bestonden alleen in het hoofd van Cervantes. Maar de schrijver had de lezer waar hij hem hebben wilde: in het land van de twijfel, in de twilight zone, in het schermergebied waar droom en realiteit in elkaar overvloeien, waar fictieve personages zonder visum de werkelijkheid binnenmogen, net zoals Quijano moeiteloos in Quichot verandert. Cervantes laat ons zo overtuigend door zijn verbeelding reizen, dat we in de werkelijkheid op zoek gaan naar sporen van het verhaal. De truc werkt nog altijd. “Voor de meeste mensen hier in La Mancha heeft Don Quichot echt bestaan”, zegt Antonio Ruiz Lucas, cultuurschepen van een plaatsje in La Mancha. “Vraag om het even wie op straat of Don Quichot hier heeft gewoond, en hij zal ja zeggen. Hij leeft nog steeds. Ook voor de mensen die minder opvoeding hebben gekregen. Ze hebben altijd over Don Quichot horen praten. Hij is iemand van hen. De meeste Spanjaarden hebben Don Quichot nooit gelezen, of toch nog nooit helemaal. En toch is hij zo aanwezig.” Het is zoals met de bijbel, het enige boek dat Don Quichot moet laten voorgaan op de lijst van beststellers aller tijden. Ook dat verhaal hebben de meesten nooit gelezen. En aanwezig is het minste wat je van Ratzingers kerk kunt zeggen. |
|
![]() |
|
|
In een plaatsje in La Mancha heeft de schepen mij achter een tafeltje gezet dat op een zonovergoten patio staat, omringd door muren van gigantische blokken die door reuzen op elkaar zijn gestapeld. Voor mij liggen twee turven, twee Quichots, in de ene zit ik nu te schrijven, 400 jaar oude woorden die ik van het ene naar het andere boek overpomp. Mijn pen bevindt zich ergens in hoofdstuk 40. Iedereen hier in het stadje doet het, en elke reiziger die langskomt: allemaal voegen ze met de hand enkele zinnen toe aan de Quichot, een onderneming die even zonderling is als de reis van de trieste ridder zelf. Over enkele maanden zal de hele Quichot zijn overgeschreven - met één klein verschil, de allereerste zin, de beroemdste openingszin uit de wereldliteratuur. “En un lugar de La Mancha ... “, begon Cervantes: “In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo'n edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazenwind.” Daar al meteen, op de eerste bladzijde, laat Cervantes het schemer intreden. Het verhaal en de reis beginnen, maar we weten niet waar. Toch wel, pareert het dikke boek waarin ik nu schrijf en waarin 1.409 mensen vóór mij hebben geschreven. Schepen Ruiz bladert naar de eerste bladzijde en toont mij de eerste zin, geschreven door de burgemeester natuurlijk: “In een plaatsje in La Mancha, Villanueva de los Infantes genaamd, leefde niet lang geleden ...” Enzovoort. Villanueva de los Infantes dus. Dat is kilometer 0. Daar is het waar Don Quichot zijn reis begon. Daar is het waar mijn tafeltje staat, in de Alhóndiga, het graandepot dat een gevangenis werd en vervolgens een bibiotheek. Op de zuilen rond mij staan onbegrijpelijke woorden die gevangenen er lang geleden in hebben gekerfd. Vandaag zit ik hier in de geschiedenis gevangen. Het is nog maar van december geleden, aan de vooravond van dit Quichotjaar, dat geleerden van een Madrileense universiteit verklaarden dat Infantes de mysterieuze plaats uit Cervantes’ eerste zin was. Twee jaar hadden ze erop gestudeerd, computers waren er aan te pas gekomen. Voor de Infantenen was het een donderslag bij heldere hemel. Ze kunnen het nog steeds niet geloven. Ze wisten wel dat de Quichot een van hun huizen had vereeuwigd, het Casa del Caballero del Verde Gabán in de hoofdstraat, maar dat zij nu ook in een van de grootste raadsels van de wereldliteratuur woonden? Eerherstel, bedenk ik, want Infantes is een vergeten parel in het zuiden van La Mancha, een kleine steen die zestiende- en zeventiende-eeuwse bouwmeesters bijna tot de perfectie hebben gepolijst. De tijd lijkt er anders te werken. Vandaag wonen er welgeteld 5.890 mensen, amper 50 meer dan 400 jaar geleden. Boven de deuren van de statige huizen vertellen wapenschilden eeuwenoude familiesages. Voor de vensters zitten overal dezelfde strenge tralies. Wanneer ik’s ochtends door de straten wandel tekent de zon er telkens weer andere motieven mee op de gevels.’s Avonds slaap ik in het klooster waar Quevedo, Cervantes’ collega, zijn laatste adem uitblies. “We hebben veel geluk gehad”, zegt Ruiz. “Veel dorpen hier in de streek hadden een gelijkaardig patrimonium maar zagen het verloren gaan.” En toch wordt Infantes schromelijk verwaarloosd in de reisgidsen. “We liggen buiten alle routes, te ver van de autosnelweg in Manzanares. Naar het volgende dorp is het in alle richtingen 30 kilometer. Je moet een inspanning doen om er te geraken. Maar als je er komt, word je verrast. Je verwacht dit niet.” Ik verwachtte dit niet. |
|
![]() |
|
|
‘Un lugar de la Mancha’ stond vroeger op het bord bij het binnenkomen van het stadje, naast een silhouet van Don Quichot, gesneden uit zwart ijzer. De komende dagen zal ik nog genoeg van die borden en silhouetten tegenkomen, Quijote-kitsch (bedacht door Manuel Fraga, Franco’s minister van Toerisme; Fraga bestaat nog steeds, hij is minister-president van Galicië, bijna even oud als Don Quichot). In Infantes hangt er sinds december een licht aangepaste versie, ze konden wel niet anders. “Nog in diezelfde week dat die studie werd bekend gemaakt, zijn we ermee naar de smid gegaan”, zegt Ruiz. ‘El lugar de la Mancha’ staat nu trots op het bord. Niet een maar hét plaatsje in La Mancha. Kilometer 0. Eindelijk weet ik waar ik mijn reis begint. |
|
![]() |
|
|
’s Anderendaags, net voor ik wil vertrekken, zie ik hem voor het eerst in levenden lijve, een Quichot van vlees en bloed. César Gómez heet hij, acteur van El Viejo y el Loco, De Oude en de Zot, een gezelschap uit Ciudad Real. De Quichot behoort tot hun vaste repertoire, dus hebben ze de handen vol tegenwoordig. “Dit jaar moeten we bijna elke week spelen hier in die streek. Ja, het is daarom dat ik dat baardje heb laten staan.” In het gemeentehuis kleedt hij zich om. Langzaam zie ik hem 400 jaar ouder worden. En dan, net op het moment dat een politieman het gemeentehuis binnenstapt, stapt Don Quichot naar buiten, de Plaza Mayor op, zonder visum de werkelijkheid binnen. Of is het andersom? Treden wij nu de fictie binnen? Een groep scholieren kijkt toe hoe de ridder slag levert met schapen en windmolens. Oude mannen die zich ondanks de zon nog in groene wollen vesten hullen, schuiven langzaam dichterbij. Ik ga tussen hen in staan. Ik heb nog geen kilometer gereden maar heb het gevoel dat ik al heel lang onderweg ben.
TEKST RUDY PIETERS FOTO'S WOUTER RAWOENS (verschenen in De Morgen, 21 mei 2005) |