|
| |
|
Daar bij die molen | |
|
Waarin de reiziger nog wat verder in het verhaal van
Don Quichot verdwaalt. Waarin hij na 60 kilometer opnieuw bij
kilometer 0 uitkomt en vervolgens in twee grotten duikt.
| |
|
Daar op het kruispunt staat
een molen en bij die molen staat een café en in dat café staat Don
Quichot. Het kruispunt zie ik op de kaart, de molen is fake (maar wat
is fake in La Mancha?), de koffie van het café is echt (zeer echt
zelfs), alleen van Don Quichot weet ik het zo nog niet. Enrique heet
hij, lang, mager, rond de vijftig, de grijzende haren achteruit
gekamd: het signalement klopt perfect, alleen de baard ontbreekt.
Tussen de zes mannen aan zijn toog is een levendig gesprek aan de
gang. Om de vijf woorden vallen de namen ‘Quijote’ en ‘Sancho Panza’,
een heel debat, zware argumenten heen en weer - tot ik doorheb dat
Luis, de man in trainingspak, straks gewoon een molen gaat bestellen,
zo’n zwart ijzeren silhouet voor de tegen de muur van zijn huis. “Een
Don Quichot en een Sancho Panza heb ik al, alleen de molen ontbreekt“,
zegt hij. “Ik ga daarvoor straks bij Cere, die al 40.000 Quichots
heeft gemaakt.” Cuarenta mil Quijotes, zo zegt hij dat. Waarop hij een
sleutelhanger uit zijn zak haalt: ook van Cere. Aan de sleutels
bengelt Don Quichots idiote hoofddeksel in miniatuuruitvoering. Het
ziet eruit als een Engelse soldatenhelm uit de Tweede Wereldoorlog,
een halve bol met een rand errond, alleen zit er een flinke kap in de
rand. “Het is geen helm. Je moet het omgekeerd houden, dan heb je een
scheerbekken”, legt Luis uit. “De barbiers hielden dat tegen de hals
van de klant, vandaar die uitsparing. Maar Don Quichot dacht dat het
een helm was en zette het op zijn hoofd.” “Cervantes was zot”, zegt
mijn andere buurman plotseling, de enige woorden die al die tijd over
zijn lippen zijn gekomen, waarna hij terugkeert naar zijn glas bier.
Ondertussen is Enrique samenzweerderig over de toog komen leunen. “Na
de bijbel is Don Quichot het meest vertaalde boek ter wereld en de
twee hebben veel gemeen”, zegt hij. “Ze zijn al 40.000 keer onderzocht
maar zeker is het allemaal niet. Iedereen maakt zo zijn eigen versie
van de bijbel, net zoals iedereen zijn eigen versie van de Quichot
maakt. Ze zeggen dat Don Quichot echt bestaan heeft, maar of dat zeker
is?” Hij steekt de armen in de lucht. “Nog stof genoeg voor duizend
jaar polemieken.” Even dacht ik dat hij ‘40.000 jaar’ zei.
| |
| Het kruispunt van Enrique’s molen is de entree van Argamasilla de Alba, de tweede halte op mijn tocht door de wereld van Quichot. ‘0 kilometer. Goede reis’, zegt een verschenen bord tegenover het café. En wat verderop nog een bord, ‘El lugar de la Mancha’, met het silhouet van Don Quichot ernaast. El lugar? Het plaatsje uit de openingszin? Het plaatsje in La Mancha waarvan de naam Cervantes niet te binnen wilde schieten? Dat kan niet, want die eer komt Villanueva de los Infantes toe, het stadje waar ik vanmorgen vertrokken ben en waar ze ook zo’n bord hebben staan. En toch ben ik na 60 kilometer weer terug bij het begin. In Argamasilla zijn ze er even sterk van overtuigd dat Don Quichot hier zijn reis begon, dat dit dus kilometer 0 is van de reis der reizen, van het verhaal der verhalen. En die Madrileense geleerden dan? Die hebben in december toch wel sterke argumenten aangevoerd ten voordele van Infantes? “Daar liggen we niet wakker van”, lachen ze hier. Stoïcijns zijn ze, zoals de huizen. Alles veel minder statig dan in Infantes. Een boerendorp, de muren dienen alleen om tussen te slapen en te eten, de pleinen zijn niet meer dan verlengstukken van de velden. Hier geen Plaza Mayor. De kerk is maar voor de helft afgewerkt. | |
![]() | |
| Al eeuwen zijn de Argamasillanen overtuigd van hun rechtstreekse afstamming van Quichot en geen mens zal hen er ooit van afbrengen. Hun sterkste argument hebben ze in de grond verankerd, de Cueva de Medrano, de grot van burgemeester Medrano, een witgekalkte kelder die in vervlogen tijden als gevangenis dienstdeed. Cervantes heeft er vastgezeten, ergens in 1602 of 1603, en aangezien de Quichot in 1605 verscheen kan het niet anders of de schrijver heeft daar zijn ridder bedacht. Zeggen ze. Dus is Quichot hier aan zijn omzwervingen begonnen. Zeggen ze. Dus is het door die nare gevangenistijd dat Cervantes zich de naam van dat dorp niet wilde herinneren. Zeggen ze. Ik ga zitten aan de oude tafel tussen de witte muren. Zou het hier, een meter of vier onder de grond, nu echt allemaal begonnen zijn? In de proloog schrijft Cervantes inderdaad dat Quichot in “een gevangenis” ontstond en verderop maakt hij zelfs even melding van Argamasilla. Maar wat moet je daarmee bij een schrijver die fictie en realiteit met genoegen dooreenhaspelt? Is het niet veel logischer aan een Andaloesische gevangenis te denken? Want dat zijn we tenminste zeker, dat Cervantes in het zuiden van het land tweemaal achter de tralies is gezet voor een financiële kwestie. De Argamasillanen antwoorden laconiek met een nieuwe vraag: waarom zou hij geen derde keer gevangen hebben gezeten? Ze hebben Cervantes’ biografie mee natuurlijk want die vertoont een flink gat van 1597 tot 1604. En het staat vast Cervantes in januari 1602 in La Mancha was voor het doopsel van het dochtertje van vrienden. Bovendien hangt in de kerk van Argamasilla een exvoto uit 1601 geschonken door een ridder die niet goed bij zijn hoofd was - de man die model stond voor Don Quichot misschien? Aan de oude tafel tussen de witte muren probeer ik het mij allemaal voor te stellen maar ik kom niet veel verder dan de conclusie dat ik niks kan beginnen tegen deze onwrikbare logica. Het is de logica van de twilight zone, waarin de reiziger een verhaal achterna reist - en een verhaal over het ontstaan van het verhaal. Cereal ‘Cere’ Serrano zet de kers op de taart: “Heb jij in Villanueva de los Infantes ook zo’n grot gezien waarin Cervantes de Quichot heeft bedacht? Wel, ik ook niet. Daar heb je ’t bewijs.” Twee straten voorbij de Medrano-kelder staat Cere’s atelier vol met Quichots, ijzeren beelden en beeldjes, alle maten, de langste meer dan twee meter; op rekken en pinnen wachten armen en benen, gebaarde koppen en idiote helmen om tot weer nieuwe Quichots te worden geassembleerd, een kitschleger dat straks de laatste muren, schoorstenen en pleintjes van La Mancha zal innemen. Heel zijn leven heeft Cere met de vrachtwagen gereden. Lezen kan hij niet (“na de burgeroorlog moest ik meteen gaan werken, anders hadden we niets te eten”) , maar toen hij met pensioen ging stortte hij zich op de beroemdste held uit de wereldliteratuur. “Als ik geen Quichots zou maken, dan was ik niet van Argamasilla.” Onwrikbare logica, ik zei het al. | |
| |
| De
volgende dag sta ik weer voor een grot, een echte dit keer (maar wat
is echt bij Cervantes?), de Cueva de Montesinos, aan de merkwaardige
lagunes van Ruidera. Cervantes noemt de grot “het hart van La Mancha”,
dieper in het hoofd van de ridder zal ik niet kunnen doordringen. Don
Quichot “brandde van verlangen daarin af te dalen en met eigen ogen te
zien of de wonderen die in de wijde omtrek werden verteld op waarheid
berustten.”. Met de 400 jaar oude aanwijzingen daal ook ik af:
“ongeveer twaalf of veertien manslengten diep” moet ik “in deze
onderaardse spelonk”, tot ik aan mijn rechterkant een grote holle
ruimte vind “waar een grote wagen met muildieren en al in zou passen”.
Het klopt. De lezer krijgt exacte coördinaten en wordt zo een reiziger
in de verbeelding van de schrijver. GPS-literatuur. Alleen is het hier
pikdonker. In de diepte zie ik dansende lichtjes, mensen die op weg
zijn naar de volgende onderaardse kamer. Don Quichot had hier geen
zaklantaarn nodig. Hij viel meteen in slaap en werd wakker in een
kristallen paleis, waar hij Montesinos en Durandarte ontmoette, helden
uit de ridderverhalen die hem tot zijn waanzin hadden gebracht.
Talloze jaren zaten ze hier al gevangen, met vele anderen, betoverd
door Merlijn, “een zoon van de duivel”. Drie dagen en nachten bleef
Don Quichot in deze grot, maar de reiziger heeft helaas zoveel tijd
niet. Hij moet terug naar boven, naar “de wereld van de levenden”,
naar de werkelijkheid (maar wat is de werkelijkheid in La Mancha?)
“Niet ver van hier ”, lees ik in het boek op mijn dashboard, “is een
kluis waar een heremiet woont die naar ze zeggen soldaat is geweest en
de naam heeft een goed christen te zijn, en heel verstandig en
liefdadig bovendien. Naast de kluis heeft hij een huisje dat hij met
zijn eigen handen heeft gebouwd, maar al is het klein, het is groot
genoeg om gasten te herbergen.” Cervantes’ kaart klopt opnieuw. Met
elk woord verdwaalt de de reiziger wat verder in het verhaal. In deze
omgekeerde wereld, waarin scheerbekkens ineens helmen worden, verbaast
het mij niks meer dat het water waar ik nu langskom, geen gewoon water
is. Het zijn de dochters en nichten van dueña Ruidera, die, zoals
Montesinos aan Don Quichot uitlegde, eveneens betoverd waren en zo erg
huilden om hun gevangenschap dat Merlijn hen liet gaan en hen in
lagunes veranderde. Kilometerslang volg ik deze tranen, tot ze in het
stuwmeer van Peñarroya overgaan, met zijn oude kasteel waar de Moren
net op tijd een Maria-beeldje opdiepten en zo hun hachje redden bij de
aanstormende katholieke legers. Voorbij het kasteel wordt het water
een rivier, de Guadiana, die hier aan zijn lange reis richting
Portugal begint. Guadiana is de schildknaap van Durandarte, schrijft
Cervantes. Ook hij mocht uit de grot vertrekken van Merlijn, maar
boven werd hij nog triester omdat hij nu zijn meester achterliet, dus
verdween hij weer onder de grond. “Maar omdat het onmogelijk is je
natuurlijke gang te ontlopen, komt hij af en toe te voorschijn en
vertoont hij zich op plekken waar de zon en de mensen hem kunnen
zien.” Ik kijk naar buiten en merk dat de Guadiana inderdaad verdwenen
is. Op de kaart zie ik dat de rivier pas kilometers verder weer
opduikt. De wonderen die in de wijde omtrek worden verteld, ze
berusten inderdaad op waarheid.
| |
|
TEKST RUDY PIETERS FOTO'S WOUTER RAWOENS (verschenen in De Morgen, 28 mei 2005) |