|
| |
|
De Wet van Cervantes | |
|
Waarin de reiziger het eind van het verhaal nadert, niet nadat hij eerst de molens van Campo de Criptana heeft bestormd en in El Toboso de echte Dulcinea heeft gevonden.
| |
|
“Kiest niet het hazenpad, laffe, verachtelijke schepsels, want het is maar één ridder die u aanvalt.” Don Quichot op zijn best, briesend en brullend, klaar voor de aanval. Aan de horizon zijn net dertig, veertig windmolens opdgedoemd, zoals ik die nu ook in de verte zie, alleen zag de dolende ridder nog net iets meer: geen molens maar “kolossale reuzen”, hij was van plan ze “te bestrijden en allemaal van het leven te beroven”. Geen klein bier. Maar welke reuzen? De vraag van Sancho Panza is niet van gezond verstand gespeend. “Die daar,” antwoordt de Don, “met die lange armen, die bij sommigen wel bijna twee mijl lang zijn”. Waarop hij de bestorming inzet, de lans vooruit, de waarschuwingen van zijn schildknaap ridderlijk in de wind slaand. Recht in de draaiende wieken belandt hij. De gevolgen laten zich raden. Vierhonderd jaar later zie ook ik de reuzen almaar kolossaler worden, maar het beeld is zorgvuldig gekadreerd, de voorruit als View-Master. De moderne reiziger is verwend. Stoffig en desolaat is La Mancha nog steeds maar daar houdt de vergelijking op. Deze road movie met airco heeft geen uitstaans meer met de moeizame omzwervingen van weleer. Wanneer zo’n ridder in de verte windmolens zag opdoemen, had hij nog een hele dag te stappen, tijd genoeg om de molens in reuzen te zien veranderen. Ik hoef maar even het gaspedaal in te drukken. Mijn rit naar Campo de Criptana duurt dan nauwelijks een halfuur, en daar zal ik zien wat ik dertig kilometer terug al gezien heb: windmolens, groot en oud en de wieken krakend in de wind, dat wel, maar nog altijd windmolens. Nog even de schijn hoog houden dus, de reis nadert zijn laatste zin, vlug een heldendaad, een groots avontuur, instant-heroïek. Ik besluit de laatste kilometers te voet te doen, recht op de molens toe, langs oude landwegen waar hooguit een schaapherder komt. Het voelt vreemd eerst. De snelheid van de auto zit nog in mijn lijf en toch kom ik maar stapvoets vooruit, de wetten van de inertie. Maar gaandeweg verdwijn ik in het landsschap, in de oneindige vlakte, het is nu de snelheid van de auto’s en trucks die absurd lijkt. Ik laat ze steeds verder achter mij. Langzaam nemen de krekels over. Als ze even zwijgen, valt een stilte, de stilte, een afwezigheid van geluid die ik geen jaren heb gehoord. Ver van alles en iedereen. Alleen de rode aarde, de horizon en de lucht. Rood streep blauw. Verder niets. Instant-mystiek, ook dat nog. Voorbij de bocht komt een tractor aanzetten. Ik ben er zeker van dat de boer zich afvraagt wat die idioot daar in godsnaam loopt te doen. Don Quichotjaar of niet, aan reizigers moeten ze hier nog wennen. | |
![]() | |
|
Ik verdwijn even in de plooien van de heuvels, de klim naar naar de molens die nu onzichtbaar worden. De zon is net onder, het uur van de laatste schemering, het uur van Cervantes’ twilight zone, waar fictieve personages moeiteloos de werkelijkheid binnen- en buitenstappen. Het is perfect getimed. Net voor de laatste heuveltop verschijnen ze, eerst hun zwarte hoeden, dan hun lange armen, en dan die enorme, ronde, witte lijven. De molens van de Don, groot en machtig, groter wellicht dan als ik met de auto tot hier was gereden. De Wet van Cervantes: hoe meer kilometers te voet, hoe groter het landschap; wie met de auto reist ziet het landschap door een omgekeerde verrekijker. Ik arriveer gelijktijdig met een bus uitgelaten scholieren. Ze gaan voor de spots staan en toveren schaduwen op de molens, reuzen die almaar obscenere gebaren maken. In de verte spelen kinderen in de grotten, hun stemmen dragen tot hier. De vlakte van La Mancha wordt langzaam zwart. De heldendaad is volbracht, de reiziger kan nu met gerust gemoed voor Dulcinea verschijnen, de edele dame die Don Quichot moest uitvinden om zijn grootse daden aan op dragen. “Een dolende ridder zonder liefde was immers als een boom zonder loof of vruchten en als een lichaam zonder ziel.” Hij vond haar in El Toboso, waar ik nu naar op weg ben, per auto, de laatste etappe. “Men meent dat het zo was dat er in een dorp vlak bij het zijne een heel knap boerenmeisje woonde op wie hij een tijdje verliefd was geweest, al heeft zij het vermoedelijk nooit geweten en heeft hij het haar nooit kenbaar gemaakt.” Ze heette Aldonza Lorenzo, maar in de verbeelding van de ridder, dezelfde verbeelding die scheerbekkens in helmen veranderde en molens in reuzen, werd de boerin een prinses. En hij noemde haar Dulcinea. Dulcinea van El Toboso, nóg fraaier. In El Toboso weten ze zeker dat Cervantes zich door Ana Zarco de Morales liet inspireren, een niet onbemiddelde dame waarvan het huis nog min of meer bestaat. Dat maakt het helemaal te gek natuurlijk: Cervantes vertrekt van een dame om een boerenmeisje te ontwerpen, dat in het hoofd van zijn ridder opnieuw een dame wordt. Ana-Aldonza-Dulcinea. Zo sterk laat deze papieren vrouw haar rechten gelden dat de Spaanse staat het huis van Ana Zarco, of wat daarvan overblijft, aankocht en er een museum van maakte. | |
|
Op het kerkplein loop ik opnieuw zo’n ijzeren Don Quichot tegen het lijf, tientallen heb ik er nu al gezien, maar deze is bijzonder, deze knielt, voor hem staat Dulcinea. Toeristen verdringen zich om er gefotografeerd te worden, een foto bij het monument voor een fictieve liefde. Een bejaard man regisseert de pose van zijn vrouw. T Twee straten verder klop ik aan – geen bel hier – bij Isabel Fernández Morales, een 21ste-eeuwse Dulcinea in een zeventiende-eeuws huis. Een gastenverblijf is dit, met alles wat dat woord recht doet. Geen moeite is de gastvrouw te veel om de reiziger nog dichter bij de Quichot te brengen. “Nooit tevoren werd een ridder door edele vrouwen vereerd als ik door Isabel”, lees ik in een brief van een dankbare gast, Cervantes parafraserend. De meubels zijn eeuwenoud. De bibliotheek is volgestouwd met Quichot-vertalingen – een Belgisch paar heeft hier drie jaar geleden de Nederlandse versie achtergelaten – en ook de ridderromans die Alonso Quijano zo zot hebben gekregen wil ze nu gaan verzamelen. Vol liefde vertelt ze over de Quichot, over de vele theorieën die over hem de ronde doen, de laatste nieuwtjes. Desnoods verkleedt ze zich als Dulcinea, in zeventiende-eeuwse outfit, en de mannelijke gasten die zover willen meestapen in het verhaal mogen zich uitdossen als ridder. Voor mij volstaat de fictie. Onder de houten galerij van de patio vertelt ze hoe ze tien jaar geleden in Rome verdwaalde en door een legerofficier weer op weg werd gezet. Toen de kolonel vroeg waar ze vandaan ze kwam en hoorde dat ze van La Mancha was, raakte hij helemaal in vervoering. La Mancha! Het land van Don Quichot! Zeven kleinkinderen had hij en bij hun eerste communie kregen ze allen Cervantes’ boek cadeau. Zo deed je dat. “Dat heeft mij zo geraakt”, zegt Isabel Fernández. “Het heeft echt een passie voor Don Quichot doen ontwaken.” Ik hoop heimelijk dat ze ’t ter plekke zit te verzinnen, dat zou het zoveel mooier maken, zoveel quichotesker. ’s Anderendaags word ik door een amechtige kerkklok gewekt – hier luiden de klokken niet, ze kleppen, snel en dof, alsof er op een oude ketel wordt geslagen. Ik ga nog even naar het Centro Cervantino, waar ze een Quichot met de handtekening van Hitler bewaren, een petieterige krabbel, en ook een van Mussolini, met krachtige verticale halen. Ik ga nog even door de verlaten straten wandelen en onderneem een laatste poging om mij voor te stellen dat in dit boerendorp de beroemdste literaire muze woonde, dat in de eindeloze vlakte achter deze huizen de ridder doolde die met een scheerbekken op zijn kop de fictie-toptien aller tijden aanvoert. Uit een zijstraat komt plotseling een buslading toeristen, aanval in de flank. Het is het sein om op te stappen. De hoogste tijd om dat boek op mijn dashboard, de turf die op deze tocht mijn trouwe gids is geweest, definitief dicht te klappen. Dagenlang heb ik gereden, gestapt, gegeten en geslapen in dat boek. Nu ben ik aan het eind van de reis - of is het: aan het eind van het verhaal? Ik kom er niet meer uit. Stap ik straks als schrijver of als reiziger uit deze bladzijde? Ik weet het echt niet meer. De grens tussen fictie en realiteit staat even niet meer op mijn kaart. En daar ben ik Miguel de Cervantes Saavedra en zijn vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha ten zeerste erkentelijk om.
| |
|
TEKST RUDY PIETERS FOTO'S WOUTER RAWOENS (verschenen in De Morgen, 11 juni 2005) |