rudypieters.com

BEGIN • BIO • BOEKEN • RECHTERS • QUIJOTE • CONTACT

 

TERUG 2007

09-08-07 'Zoon Goedertier' doet onthulling op 24 augustus

27-07-07 'Zoon Goedertier' begint site over Rechtvaardige Rechters

 

2006

(in opbouw)

 

2005

29-06-05 Han van Meegeren, iedereen voor aap

08-06-05 Karel Mortier. Een Da Vinci-code naar De Rechtvaardige Rechters

07-06-05 Kroongetuige herkent Goedertier bij diefstal

24-05-05 Spoor valse Botticelli leidt naar België

 

2004

(in opbouw)

 

2003

(in opbouw)

 

2002

(in opbouw)

 

2001

(in opbouw)

 

 

 
   
 

INDEX ARCHIEF

   
  2007
   
  'Zoon Goedertier' doet onthulling op 24 augustus
   
  09-08-07
   
  De mysterieuze website over de diefstal van De Rechtvaardige Rechters, kondigt zijn grote onthulling aan op 24 augustus. Dan wordt een plaats bekendgemaakt die iets te maken heeft met het in 1934 gestolen Lam Gods-paneel.

De site toont sinds midden juni foto’s en oude prentkaarten gelardeerd met raadselachtige teksten. We zien beelden van de Westhoek en de Eerste Wereldoorlog maar evengoed van rotsachtige bergen. Er is sprake van een “ondergronds vertrek” dat “al héél lang niet meer (wordt) gebruikt”.

De mysterieuze auteur blijkt toegang te hebben gehad tot het gerechtelijke dossier en geeft zich uit voor Adhémar Goedertier, zoon van hoofdverdachte Arsène Goedertier. Het 13-jarige jongetje stierf in 1936, twee jaar na zijn vader, maar volgens de site is dat overlijden in scène gezet en begon Adhémar in werkelijkheid een nieuw leven onder een andere naam. Zijn moeder zou hem op haar sterfbed in 1942 de foto's en prentkaarten hebben gegeven die nu gepubliceerd worden.

De website roept herinneringen op aan de website van Gentenaar Gaston De Roeck, die in 2002 tienduizenden bezoekers per dag kreeg. De Roeck duidde de kerk van Wetteren aan als bergplaats.

   
  www.deaanbiddingvanhetlam.com
   
  RUDY PIETERS
(gepubliceerd in De Morgen, 10 augustus 2007)
   
 

INDEX ARCHIEF

   
   

 

  'Zoon Goedertier' begint site over Rechtvaardige Rechters
   
  27-07-07
 

 

 

Een nieuwe mysterieuze website kondigt belangrijke onthullingen aan over De Rechtvaardige Rechters. De auteur beweert de zoon te zijn van Arsène Goedertier, de hoofdverdachte in de zaak, en zegt een plaats te kennen die iets met het vermiste Lam Gods-paneel te maken heeft.

De mysterieuze auteur geeft zich uit voor Adhémar Goedertier, zoon van de Wetterse koster en wisselagent Arsène Goedertier, nog steeds hoofdverdachte in de diefstalzaak.

Arsène Goedertier overleed op 25 november 1934, zeven maanden na de verdwijning van De Rechtvaardige Rechters. Adhémar, de enige zoon van de wisselagent, had een zwakke gezondheid en stierf op 2 mei 1936, amper 13 jaar oud. Toen bekend was geraakt dat zijn vader van de diefstal werd verdacht, had hij het hard te verduren gekregen op school. Klasgenoten noemden hem ‘het lammeke Gods’.

De bloggende Adhémar zegt dat het verhaal over zijn dood niet klopt. Hij zegt dat zijn oom Valère Goedertier hem in 1936 in het geheim naar een echtpaar in “een dorpje zo’n 15 km voorbij Sint-Niklaas” heeft gebracht en dat hij daar een nieuw leven is begonnen, onder een andere naam. “Ik mocht nooit tegenover vreemden over mijn verleden vertellen”, staat op de site te lezen. Zijn moeder gaf hem bij haar dood in 1943 “een enveloppe met vertrouwelijke documenten van mijn vader”: “Geleidelijk aan werd me de ware reden van mijn identiteitsverwisseling duidelijk. Niet zozeer de verdwijning van de Rechtvaardige Rechters, maar wel de onbeschrijflijke angst dat het paneel ooit zou teruggevonden worden had voor deze gedaanteverwisseling gezorgd.”

In de envelop zaten vooral “foto’s en oude prentkaarten”. Ze sloegen allemaal op een plaats waar Arsène Goedertier zijn zoontje vaak mee naartoe had genomen, zelfs na de diefstal. De bergplaats van de Rechtvaardige Rechters?

We krijgen vier oude foto’s te zien. Onder twee foto’s staan alleen de letters D.U.A., onder de twee andere A.N.S, de initialen onder de afpersingsbrieven die de Gentse bisschop ontving na de diefstal. We zien een bootje met drie personen in, een man met een trekpaard, een kerk en iets wat op een oorlogslagveld lijkt. Op andere, recentere beelden zien we een rotslandschap. Elders laat ‘Adhémar Goedertier’ weten: “De Westhoek oefende een onzichtbare aantrekkingskracht uit op vader. Hij dwaalde er geregeld rond over de dodenakkers.”

De site wijst vooral op vreemde verklaringen van Valère Goedertier, de broer van de wisselagent. Aan de politie vertelde hij dat hij Adhémar op een winteravond in 1935 in allerijl naar een Brusselse oogarts had moeten voeren omdat het jongetje iets in zijn oog zou hebben gekregen. Maar het adres van de oogarts dat hij opgaf, klopte niet. En in Wetteren woonde ook een oogarts: waarom dan naar Brussel rijden? En getuigen hadden gezien dat de ogen van het jongetje de ochtend nadien niet rood waren. De politie heeft dit nooit onderzocht.

De website verklaart de ‘leugen’ aan de hand de getuigenis van de meid van de wisselagent: Valère Goedertier was de avond van het zogezegde oogincident samen met de weduwe “bezig geweest” aan een schilderij in het salon van de wisselagent. Aan de achterkant van het schilderij zouden ze de envelop gevonden hebben en daarom hadden ze plotseling een wagen nodig, beweert ‘Adhémar Goedertier’.

De website ging midden juni van start en telt ondertussen meer dan tien ‘onthullingen’. Hij doet sterk denken aan de website van de ondertussen overleden Gaston De Roeck, de Gentse cafébaas die in 2001 en 2002 beweerde de bergplaats te kennen en via goed getimede tips een ware Rechters-hype ontketende en zelfs buitenlandse televisieploegen naar Wetteren lokte.

De Roecks website was geloofwaardig omdat er enkele gegevens over de zaak op stonden die nooit eerder waren bekendgemaakt. De Adhémar-website komt niet met nieuwe gegevens. Zijn sterkste punt is dat hij zich in de tegenstrijdige woorden van Valère Goedertier vastbijt.

En het hele verhaal over de identiteitsverwisseling? De Gentse onderzoeker Karel Mortier heeft brieven van de weduwe Goedertier kunnen inkijken waarin ze het overlijden van haar zoontje beschrijft: dagen en nachten lang lag hij te ijlen over “politie” en “dieven”. Als de digitale Adhémar is wie hij beweert te zijn, dan zouden die brieven dus deel uitmaken van een complot dat de wereld moest doen geloven dat hij dood was. Voer voor Dan Brown-adepten.

www.deaanbiddingvanhetlam.com

 

 

  RUDY PIETERS
(gepubliceerd in De Morgen, 27 juli 2007)
   
 

INDEX ARCHIEF

   
   

 

  2005
   
  Han van Meegeren, iedereen voor aap
   
  29-06-05
   
 

Toen Han van Meegeren zestig jaar geleden zichzelf als Vermeer-vervalser ontmaskerde, bleek hij de hele kunstwereld voor aap te hebben gezet. Uit pas opgedoken documenten blijkt dat Martin de Wild, een expert die de vervalsing bevestigde, aanvankelijk ook in de val was getrapt, en niet alleen in deze zaak. Ondertussen verklaarde diezelfde De Wild een andere Vermeer wel authentiek.

Even heeft de grote Nederlandse kunstexpert Abraham Bredius nog getwijfeld, maar al snel was hij zeker: dit was een echte Vermeer. De Emmaüsgangers, in 1937 uit het niets opgedoken, was niets minder dan een onbekend werk van de zeventiende-eeuwse meester. In werkelijkheid was het kort voordien geschilderd door de 38-jarige Han van Meegeren, een succesvolle maar door de kritiek genegeerde schilder van traditionele taferelen. Na jaren experimenteren had hij de toverformule gevonden, zo gebruikte hij kunsthars als bindmiddel, waardoor de verf tegen de tests van de experts bestand bleek.

Het museum Boymans kocht de 'Vermeer'. Van Meegeren was gelanceerd. Via tussenpersonen bracht hij nog een paar De Hoochs en minstens vijf andere bijbelse Vermeers op de markt. Een van die valse Vermeers kwam bij rijksmaarschalk Hermann Goering terecht. Meteen na de oorlog kwam dat werk in handen van de Nederlandse overheid, en die had niet veel moeite om het spoor naar Van Meegeren te vinden. In mei 1945 werd de schilder gearresteerd op beschuldiging van collaboratie. Hij zag maar één uitweg: bekennen dat hij de Vermeer zelf had geschilderd en dus ook Goering bij de neus had genomen. In een moeite door biechtte hij de vervalsing van de andere oude meesters op. De kunstwereld stond op zijn kop. Al die hooggeleerde experts en critici, mensen die Van Meegeren jaren hadden genegeerd, stonden nu voor aap. Om te bewijzen dat hij Vermeer was, schilderde hij in de gevangenis een nieuwe vervalsing. Twee jaar later vond zijn proces plaats. Van Meegeren kreeg één jaar voor oplichting. Maar een leven vol drugs en alcohol had hun tol geëist. Hij stierf kort na zijn veroordeling aan een hartaanval.

Tijdens het proces was de Nederlandse justitie geadviseerd door een vijfkoppig comité van kunstexperts. Daar zaten twee van de belangrijkste restauratiespecialisten ter wereld in, de Nederlander A. Martin de Wild (1899-1969) en de Belg Paul Coremans (1908–1965). De vijf concludeerden dat de Vermeers en De Hoochs inderdaad vals waren.

De Wild maakte daarmee een bocht van 180 graden, zo blijkt uit recent opgedoken documenten in Schotland, die journalist Tim Cornwell (The Scotsman) ons ter beschikking stelde. Op 17 juli 1945 nog, kort nadat de zaak-Van Meegeren was losgebarsten, schreef De Wild aan Stanley Cursiter, directeur van de Schotse National Gallery, dat hij nog steeds dacht dat het echte Vermeers waren. Een opmerkelijk standpunt want De Wild was dé grote kenner van verfpigmenten, zijn boek uit 1926 werd internationaal als een standaardwerk beschouwd. "Persoonlijk denk ik dat de nazi-kunstenaar (Han van Meegeren, RP) dit verhaal heeft verzonnen om er een mooie, lange rechtszaak van te maken, die hem in staat moet stellen een andere straf te ontlopen. Ik zal je op de hoogte houden van verder nieuws in deze zaak. Het is voorts algemeen bekend dat de genoemde kunstenaar een groot liefhebber van alcoholische dranken was, zodat ik me afvroeg of het wel de moeite is om zijn bekentenis ernstig te nemen." Dat was niet zomaar een opinie. In 1943, bekent hij in de brief, had hij een Van Meegeren-Vermeer onderzocht en dat als een "authentiek oud schilderij" beschouwd. Door zijn expertise en die van twee collega’s kocht het Rijksmuseum de 'Vermeer' aan voor bijna 1,2 miljoen gulden, een gigantisch bedrag in die tijd.

Het was niet de eerste maal dat Martin de Wild flink bij de neus was genomen. In 1933 had hij de authenticiteit bevestigd van Botticelli's Portet van een Man in de National Gallery van Schotland (Edinburgh). Stanley Cursiter had het peperdure werk toen met veel bombarie aangekocht, ondanks de niet aflatende geruchten dat het een fake was. De Wilds drie bladzijden tellende rapport liet geen ruimte voor twijfel. "De geruchten over de pas ontdekte Botticelli hebben de Nederlandse kranten bereikt", schreef hij kort nadien aan Cursiter. "We zitten natuurlijk zeer veilig en het is niet nodig dat we de zaak nog verder bespreken. Maar ik oordeelde dat het beter was een korte nota aan de Nederlandse kranten te sturen om het publiek hier te kalmeren." Wanneer ook de Franse pers een fake vermoedt, schrijft De Wild aan Cursiter: "dit is zo absurd dat het moet worden tegengesproken". In 1952 zou Cursiters opvolger vaststellen dat de Botticelli een twintigste-eeuwse vervalsing was.

De expert die Van Meegeren als vervalser hielp ontmaskeren, blijkt dus tweemaal zwaar in de val te zijn getrapt, eerst met de Botticelli en tien jaar later met de Vermeer. In diezelfde periode verklaarde hij andere schilderijen authentiek die sindsdien niet ter discussie werden gesteld. Dat is onder meer het geval met de Vermeer uit de Schotse National Gallery, Christus in het huis van Martha en Maria, een van de vroegste werken van de meester, en het enige met een bijbels tafereel. Het toeval wil dat Van Meegeren zich bij Vermeer precies op die periode en dat genre toespitste.

De Vermeer- en Botticelli-vervalsing kruisen elkaar ook in België op merkwaardige wijze. In 1933 had The Daily Telegraph geschreven dat de Botticelli het werk was van "een jonge Brusselse kunstenaar". Tim Cornwell ontdekte in de archieven dat een zekere 'M. Phillipot' of 'Mr. Phillipot' ooit bekend heeft de vervalser te zijn. Als die Philippot inderdaad een Belg is, dan kan het bijna niet anders of het is de Brusselse schilder-restaurator Albert Philippot, suggereerden wij vorige maand in De Morgen. Albert Philippot was de schoonzoon van Jef van der Veken, auteur van de kopie van het gestolen Lam Gods-paneel De Rechtvaardige Rechters. Begin jaren vijftig voerde Philippot een grondige restauratie uit van Van Eycks Lam Gods-retabel. Hij deed dat in het Brusselse laboratorium dat de voorloper van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium was. De directeur van dat laboratorium: Paul Coremans. Wat dit verhaal extra kruidt is dat Coremans en De Wild het tijdens het proces-Van Meegeren absoluut niet met elkaar konden vinden. Coremans weigerde mee te werken aan het rapport van het vijfkoppige comité en publiceerde op eigen houtje zijn bevindingen. Als Albert Philippot inderdaad de Botticelli schilderde, dan had Coremans dus een restaurator in dienst die zijn rivaal Martin de Wild twintig jaar voordien flink bij de neus had genomen.

   
  RUDY PIETERS
(gepubliceerd in De Morgen, 29 juni 2005)
   
  lees ook:
'
Spoor valse Botticelli leidt naar België', door Rudy Pieters, in De Morgen, 24 mei 2005
   
 

INDEX ARCHIEF

   
   

 

  Karel Mortier. Een Da Vinci-code naar De Rechtvaardige Rechters
   
  08-06-05
   
  Een halve eeuw zoekt Karel Mortier nu al naar De Rechtvaardige Rechters. Zopas publiceerde de gepensioneerde hoofdcommissaris zijn vierde boek over de Lam Gods-diefstal. Nog altijd is hij ervan overtuigd dat de Wetterse wisselagent Arsène Goedertier bij de zaak betrokken is, maar tegelijk zijn de vermoedens groot dat er hoge politieke belangen meespeelden.

"Maak mij daarover eens een analyse", zei de prof en hij gaf het dikke dossier aan de student. Eind jaren veertig zijn we dan, aan de Gentse universiteit. De prof was strafrechtspecialist C.J. Vanhoudt, advocaat-generaal aan het Gentse hof van beroep. Het dossier was dat van de De Rechtvaardige Rechters. De student heette Karel Mortier. Hij was dan nog maar pas in dienst bij de Gentse politie – hij zou er later hoofdcommissaris worden – en wilde criminologie studeren. De student zag dat het dossier één grote chaos was, onmogelijk om een eindwerk over te maken. Vanhoudt toonde begrip en gaf Mortier een andere opdracht, maar de student had de microbe te pakken.

In 1956 begon Karel Mortier in zijn vrije uren het dossier rustig door te nemen, het begin van een monumentaal levenswerk dat nog altijd niet voltooid is. Een halve eeuw is de man nu al met zijn eigen onderzoek naar het verdwenen paneel bezig. Niemand kent het verhaal beter dan hij. Een verhaal dat begon in nacht van 10 op 11 april 1934, toen twee Lam Gods-panelen uit de Gentse Sint-Baafskathedraal verdwenen. Het bisdom ontving dertien met D.U.A. ondertekende afpersingsbrieven. Eén paneel werd terugbezorgd, Johannes de Doper. Het tweede, De Rechtvaardige Rechters, is nog altijd vermist.

Karel Mortier schreef samen met journalist Noël Kerckhaert drie boeken over het onderwerp.Het derde, Dossier Lam Gods, blies in 1994 de zaak nieuw leven in. Een nieuwe generatie onderzoekers raakte gepassioneerd. Na het overlijden van Kerckhaert ging Mortier alleen voort met zijn onderzoek.Zopas publiceerde hij zijn vierde boek, De verdwenen rechters, een herwerking van de vorige drie, aangevuld met nieuwe elementen.

De basis van Mortiers theorie blijft onveranderd.Er waren minstens twee personen bij de diefstal betrokken, zegt hij. Hij reconstrueerde de situatie in de Vijdkapel en kwam tot een duidelijke conclusie: als de diefstal door één persoon zou zijn uitgevoerd, dan bezat “die allicht de allures van de godheid Shiva met al haar armen”.

Mortier is er ook van overtuigd dat Arsène Goedertier op zijn minst weet had van de afpersing en er mogelijk aan heeft meegewerkt. De Wetterse wisselagent overleed op 25 november 1934. Op zijn sterfbed zou hij aan zijn vriend, de advocaat en latere senator Georges De Vos, hebben gezegd dat alleen hij het paneel wist zijn. Bij Goedertier thuis zouden nadien de doorslagen van de dertien D.U.A.-brieven zijn gevonden.

In De verdwenen rechters maakt Mortier voor het eerst gewag van een verklaring uit 1973 van de ondertussen overleden kanunnik Alidor Hulpiau.Die blijkt begin jaren vijftig met kroongetuige Cesar Aercus te hebben gesproken, de man die op de bewuste nacht toevallig in de buurt van de kathedraal wilde inbreken en op dat moment twee mannen zag naast Sint-Baafs: een van de mannen kwam met een "plank" onder de arm uit de kerk, de andere wachtte bij een auto. De auto startte niet, Aercus bood zijn hulp aan, maar de mannen stuurden hem wandelen met 50 frank.

Kanunnik Hulpiau had tijdens zijn gesprek enkele foto’s getoond en Aercus had er "direct, zonder Goedertier te kennen, deze uitgepikt, als de vrijgevige nachtelijke pechlijder". Een belangrijk nieuw element, de eerste getuige die Goedertier ook op de plaats van de diefstal signaleert.

Alidor Hulpiau's neef onthulde vorig jaar in De Morgen dat de kanunnik de nacht van de diefstal toevallig ook voorbij de kathedraal was gepasseerd, maar niet aan Aercus’ kant, en toen een "open kolenkar" met drie mannen erbij zag aan een zij-ingang van de kathedraal.

Arsène Goedertier wordt door zijn tijdgenoten als een bijzonder man omschreven, iemand met een rijke fantasie die overal wel een mening over had. "Valère Goedertier, die zijn broer Arsène zeer goed kende, typeert hem als 'een Da Vinci'", schrijft Mortier. "Voor sommigen wellicht slechts een stap om over te schakelen naar een 'Da Vinci-code' in de D.U.A.-brieven." Veel speurders menen dat in de afpersingsbrieven een code zit die naar de bergplaats leidt. Zover drijft Mortier het niet, maar uit een analyse van de brieven, en ook van latere verklaringen van onder meer Goedertier, komt hij tot de conclusie dat de dief De Rechtvaardige Rechters vermoedelijk in de kathedraal zelf heeft verstopt en Johannes de Doper mee naar huis nam. "Waar verberg je het best een boom? In het bos." Mogelijk zit het er nog, zegt Mortier. In 1996 liet hij zelf een fiberscooponderzoek uitvoeren in het kapittelhuis en op de doksalen. "Door kredietbeperking kon nog geen verder nazicht gerealiseerd worden."

Wat dreef de Wetterse wisselagent tot de diefstal? Zeker geen financiële problemen, stelt Mortier, want die had Goedertier toen niet. Hij vermoedt dat er hoge politieke belangen speelden. Tijdens de oorlog was het gerucht al opgedoken dat de familie van de katholieke toppoliticus Frans van Cauwelaert er iets mee te maken had gehad. Dat gerucht klopte, vernam Mortier in de jaren zestig, zowel van DeVlag-leider Jef Van de Wiele als van architect Max Winders. Goedertier zat vol politieke ambities en had connecties. Op zijn begrafenis was minister Edmond Rubbens aanwezig.

Mortier signaleert enerzijds "merkwaardige (mogelijk toevallige) analogieën" tussen het verloop van de Lam Gods-zaak en een "spraakmakende verwikkeling in de Katholieke Unie en haar aanverwante organisaties". Het gaat met name over zware problemen waarin de Bank-Unie van zoon Emiel van Cauwelaert in 1934 was terechtgekomen, problemen die de hoogste kringen fel verontrustten, stelt Mortier. Een van die "merkwaardige analogieën" is dat minister Frans van Cauwelaert op 26 november 1934, nauwelijks vijf dagen na de eedaflegging van de nieuwe regering- Theunis, zijn ontslag aanbood. Daags voordien was Goedertier overleden, na zijn "biecht" bij Georges De Vos. De Vos was een goede bekende van Frans van Cauwelaert.

Anderzijds stelde Mortier vast dat de bisdommen in 1932 de reorganisatie van de katholieke partijstructuur zouden hebben gesteund, alle bisdommen behalve Gent. "Arsène, om bij Rubbens en zijn politieke milieu op een goed blaadje te blijven staan, zou dan – op zijn manier – gepoogd hebben toch te zorgen voor 'een bijdrage'.” In beide verhalen, het verhaal-Van Cauwelaert en het verhaal-Rubbens, heeft Mortier evenwel "geen formele bewijzen gevonden over een binding met de kunstroof”.

De verdwenen rechters is het resultaat van een zelden geziene gedrevenheid. Zo gedreven is Mortier dat hij soms alleen nog maar zijn eigen versie ziet en alles wat andere speurders naar boven halen snerend van tafel veegt, ook al zitten daar waardevolle elementen tussen. Dat belet niet dat Mortier de geschiedenis zal ingaan als de man die de zaak heeft gered. Zeventig jaar geleden heeft justitie er werkelijk niks van gebakken, een Belgisch verhaal. Mortier is dat onderzoek helemaal opnieuw begonnen en hij heeft daarbij cruciale documenten boven water kunnen halen. Als er vandaag nog hoop is dat het paneel ooit opduikt, dan is die hoop voor een groot stuk aan Mortier te danken.

   
  De verdwenen rechters. Analyse van een kunstroof telt 364 blz., kost 22 euro en is uitgegeven bij Academia Press, Gent.
   
  RUDY PIETERS
(gepubliceerd in De Morgen, 8 juni 2005)
   
 

INDEX ARCHIEF

   
   

 

  Kroongetuige herkent Goedertier bij diefstal
   
  07-06-05
   
 

Een man die tijdens de nacht van de Lam Gods-diefstal in de buurt van de Gentse kathedraal was, heeft Arsène Goedertier herkend als één van de vermoedelijke daders. Dat blijkt uit De verdwenen rechters, het boek dat Karel Mortier vorige week over de Lam Gods-diefstal publiceerde. Het is voor het eerst dat de Wetterse wisselagent rechtstreeks met de diefstal in verband kan worden gebracht.

Karel Mortier signaleert een verklaring van kanunnik Alidor Hulpiau uit 1973. Hulpiau zegt dat hij "rond 1951-1952, op verzoek van 'de president van de rechtbank van Dendermonde' Aercus naar zijn verhaal over de bewuste nacht van de diefstal van de RR gevraagd heeft."

Cesar Aercus wilde tijdens de nacht van 10 op 11 april 1934, de nacht van de Lam Gods-diefstal, in de buurt van de Sint-Baafskathedraal inbreken. Na middernacht zag hij een man met een "plank" onder de arm uit de kerk komen, een tweede man wachtte bij een auto. De auto startte niet, Aercus bood zijn hulp aan maar de mannen stuurden hem weg met 50 frank.

In 1951 of 1952 legde kanunnik Hulpiau foto's voor aan Cesar Aercus. De kroongetuige heeft er "direct, zonder Goedertier te kennen, deze uitgepikt, als de vrijgevige nachtelijke pechlijder", zegt de kanunnik. Dat is de eerste getuigenis waarin Goedertier tijdens de nacht van de diefstal aan Sint-Baafs wordt gesignaleerd. Waarom de "president van de rechtbank van Dendermonde" begin jaren '50 Cesar Aercus aan de tand wilde laten voelen, en waarom dat door een geestelijke moest gebeuren, is niet duidelijk.

De vraag blijft natuurlijk hoe betrouwbaar Aercus' getuigenis is. Aan zijn broer schreef hij ooit niet zo zeker te zijn van zijn hele verhaal. Maar waaraan hij twijfelde, is niet bekend.

De naam van Alidor Hulpiau dook vorig jaar voor het eerst op in De Morgen. Luc Goossens, een neef van Hulpiau, maakte toen een getuigenis bekend die zijn oom alleen in familiekring had gedaan. Diezelfde 10 april 1934 was Hulpiau 's avond of 's nachts langs de kathedraal gepasseerd. Ter hoogte van Sint-Baafs stond een lege kolenkar met drie personen erbij. Volgens die versie zag Hulpiau de kar wellicht in de Limburgstraat. Cesar Aercus bevond zich diezelfde nacht aan de andere kant, in de Kapittelstraat.

   
  RUDY PIETERS
   
 

INDEX ARCHIEF

   
   

 

  Spoor valse Botticelli leidt naar België
   
  24-05-05
   
  Het is een van de ophefmakendste vervalsingszaken in de kunstwereld en het spoor leidt nu naar België. De valse Botticelli in de Schotse National Galleries is mogelijk gemaakt door de restaurateur Albert Philippot, schoonzoon van de man die de beroemde kopie van het gestolen Lam Gods-paneel schilderde.

The National Galleries in Edinburgh gaven in 1933 hun laatste penny uit om Botticelli’s Portret van een jongeman te kunnen kopen. Twintig jaar later bleek het een vervalsing te zijn, een zaak die
de Schotten nog steeds het schaamrood op de wangen brengt en die zo lang mogelijk in de doofpot werd gehouden.

De krant The Scotsman onthulde de voorbije dagen nieuwe gegevens over de zaak op basis van vertrouwelijke documenten. Journalist Tim Cornwell ontdekte onder meer dat een zekere 'M. Phillipot' of 'Mr. Phillipot' (de M. staat waarschijnlijk voor 'mister') ooit bekend heeft de auteur te zijn van de 'Botticelli'. Na een tip van De Morgen leidde dat tot de gezamenlijke conclusie dat het mogelijk om Albert Philippot gaat (de spelling wijkt licht af van die in de Schotse documenten).

Sluitende bewijzen zijn daarvoor niet maar het aantal kunstenaars dat in de tijd een perfecte kopie kon afleveren, was op een hand te tellen en Albert Philippot behoorde tot dat selecte groepje. Bovendien had de Britse krant The Daily Telegraph al in 1933, meteen na de aankoop, de stelling geopperd dat het werk kort voordien door "een jonge Brusselse kunstenaar" was geschilderd. Albert Philippot (1899-1974), een Brusselaar, was toen 34.

Hij was de schoonzoon van Jef van der Veken (1872-1964). Beide schilders waren vermaarde restaurateurs en werkten geruime tijd samen. In de jaren dertig en veertig genoot vooral Van der Veken internationale bekendheid als specialist in Vlaamse Primitieven. Hij maakte een verbluffende kopie van De Rechtvaardige Rechters, het in 1934 gestolen paneel van het Gentse retabel Het Lam Gods. Albert Philippot was begin jaren vijftig verantwoordelijk voor de algemene restauratie van Het Lam Gods, een project van uitzonderlijke omvang dat de grootste vakkennis vereiste.

Stanley Cursiter, de toenmalige directeur van de National Gallery, kondigde in 1933 met veel bombarie zijn nieuwe koop aan. Met het duizelingwekkende prijskaartje, 12.000 oude ponden, of 750.000 huidige euro’s, soupeerde hij wel in een klap het hele museumbudget op maar dit "nieuw ontdekte portret" was de investering meer dan waard, betoogde Cursiter. Er waren twijfels over de authenticiteit maar volgens de directeur was de Schotse Botticelli "duidelijk superieur" aan een sterk gelijkend werk uit het Louvre dat aan de 'school van Botticelli' werd toegeschreven. Hij baseerde zich onder meer op het oordeel van zijn vriend Martin de Wild, een Nederlandse restaurateur, en op een chemische analyse van de verf.

In 1952 stelde Cursiters opvolger vast dat het peperdure portret een twintigste-eeuwse vervalsing was, de gebezigde verfsoorten waren pas 300 jaar na Botticelli voor het eerst gebruikt. Het doek verdween geruisloos naar de kelders, het chemisch rapport bleek ineens spoorloos.

   
  RUDY PIETERS
(gepubliceerd in De Morgen, 24 mei 2005)
   
  lees ook:
'The shameful secret of Scotland's fake Botticelli', door Tim Cornwell, in The Scotsman, 18 mei 2005
'Art restorer may have painted fake Botticelli', door Tim Cornwell, in The Scotsman, 23 mei 2005
   
 

INDEX ARCHIEF